De cursief weergegeven beroepen zijn beschreven, zie onderaan de lijst.

Arbeider/ster                                David

Batikster                                        David

Boerin                                            Winkens

Borgemeester                                 Winkens

Bouwman                                        Winkens

Bouwmansknecht                             Winkens

Brouwer                                         Winkens

Daghuurder                                    David

Dagloner                                        David & Winkens

Dienstknecht                                  Winkens

Dienstmeid                                     Winkens

Employé                                          David

Handelaar                                      David

Herbergier                                     Winkens

Horlogemaker                                 David

Huishoudster                                  Winkens

Huisvrouw                                      David

Kaarsenmaker                                 Winkens

Klerk                                              David

Knecht                                            Winkens

Koopman/vrouw                              David

Koperslager                                    Winkens

Kuipenmaker                                   Winkens

Landbouwer                                   David & Winkens

Landhuurder                                   David

Leenman                                         Winkens

Metselaar                                       David

Militair                                          David & Winkens

Molenaar                                        Winkens

Naaister                                         David

Opziener                                        David

Schepen                                         Winkens

Schrijnwerker                                Winkens

Spinster                                         Winkens

Slotenmaker                                   Winkens

Tabaksplanter                                David

Terreinmachinist                            David

Textielhandelaar                            Winkens

Veldwachter                                   Winkens

Vorster                                           Winkens

Vroedvrouw                                    Winkens

Werkman                                        Winkens

Werkvrouw                                    David

Wever                                            Winkens

Winkelier/ster                               Winkens

Omschrijving van het beroep in de 19e eeuw uit: Korte en eenvoudige beschrijving van de voornaamste Standen, beroepen, bedrijven en bezigheden in de menschelijke maatschappij. Ten dienste der scholen. M. Smit  1843.

Loondienaren en Dienaressen

Daglooners

Door daglooners verstaat men lieden, welke in het een of ander bedrijf der maatschappij hun werk verrigten, voor eenen bepaalde prijs bij den dag. Kennis van hun bedrijf, eerlijkheid, goede trouw, vlijt, waarheidsliefde, opzigt over de ondergeschikten en billikheid in de loonvordering, zijn de hoofdvereischten in eenen goeden daglooner. Ook deze thans genoemde betrekking is nuttig en allernoodzakelijkst voor de maatschappij.

Fabrijkanten

Bierbrouwers

Eenen van gersten-mout, hop en water vervaardigden drank noemt men bier , en de bereiders van dezelven brouwers. Met zekerheid weet men niet te zeggen, door wien of wanneer het bierbrouwen uitgevonden is; echter leest men in de geschiedenis , dat de oude Batavieren - onze eerste voorouders - reeds eenen dronkenmakenden drank uit gerst wisten te bereiden , welke zeker eene soort van bier zal zijn geweest , dat door ouderdom en gisting eindelijk die kracht verkreeg. Thans bereidt men nagenoeg aldus: men bevochtigt gerst en legt dezelve daarna op een warme plaats, tot dat zij begint te ontkiemen. Dan krijgt men ze op eene daar of groote, dunne ijzeren plaat , - stookt er vuur onder , tot zoo lang, dat dezelve eene zekere hardheid en eene ligtbruine kleur verkregen heeft. Vervolgens wordt zij kort gemalen en heet mout. Nu doet men dit mout in eenen grooten ketel, doet er eene zekere hoeveelheid hop en water bij, stookt hier vuur onder, zoodat de kracht des mouts zich aan het water mededeelt, even als men gemalen koffij in eenen koffijpot doet. Heeft het nu lang genoeg getrokken , dan komt het in eene andere kuip ter bekoeling en bezinking , waarna het ter aftapping in vaten en ter verzending gereed is. Hoe meer hop er in gedaan wordt, hoe onaangenamer de smaak wordt , maar ook tevens hoe langer het tegen bederf bewaard blijft. Eenen hoog zoeten smaak erlangt men door bijmenging van siroop. - Het bier is een gezonde, voedzame en versterkende drank, weshalve deszelfs vevaardigers onder de nuttige leden der maatschappij behooren.

Fabrijkanten

Molenaars

Door molens verstaat men raderwerktuigen/ welke door den wind / door water / stoom / paarden / ezels / ossen / honden / menschenhanden of eene andere vreemde kracht in beweging gebracht worden / en de bestuurders hiervan heeten molenaars.

Men kan de molens gevoegelijk / ten opzigte der beweegkrachten / in vier soorten verdeelen. De eerste soort is die / welke door wind, - de tweede / die door water, - de derde / welke door stoom, - en de vierde / die door menschelijke of dierlijke kracht in beweging worden gebragt.

De molens / welke het water tot beweegkracht hebben/ zijn uitgevonden in het jaar 555 na Jezus geboorte / en die door wind gedreven worden in 750 na J. C.

Die / welke het water tot beweegoorzaak hebben / worden aangelegd boven eene rivier of beek, waar het water onophoudelijk van eene zijde loopt / hetwelk alsdan op daartoe ingerigte bladen / leppen of op groote schuppen werkt / welke door middel van een aan de as verbonden rad / weder andere rondselen en raderen / en daardoor het geheele werktuig in beweging brengen.

De windmolens worden bewogen door middel van wieken of roeden, die aan eene as verbonden zijn / op welke wieken de wind in eene schuine rigting werkt / waardoor zij met de as rond bewogen worden / aan welke as aan het achtereinde een rad verbonden is / dat op een ander rad werkt / hetwelk aan eenen regtop staanden balk / de bonkelaar geheeten , bevestigd is / waardoor weder andere raderen / en alzoo het geheele werktuig in beweging wordt gebragt.

Bij die / welke door stoom of door de kracht van levende wezens in beweging worden gebragt vervangen slechts de krachten de plaats van die van water en wind en vorderen eenigermate anders gewijzigde bewegingswerktuigen; voor het overige is de werking van het raderwerk en de rondselen op elkander tamelijk gelijk. Om echter een juist denkbeeld van de werking dezer gewrochten van menschelijken kunst te verkrijgen / zult gij weldoen de werktuigen naauwkeurig te beschouwen en u door de molenaar omtrent alles duidelijk te laten onderrigten; dewijl iedere beschrijving hiervan / hoe gerekt ook / altijd onverstaanbaar en iedere afbeelding onvoldoende blijft.

Ten opzigte van den arbeid , welke men door de molens verrigt / kunnen al de vier genoemde soorten verdeeld worden in : papier- / olij- / tras- / pel- / rog- / boekweit- mosterd- / koffij- / peper- / water- / berk- / beenderen- / klei- / karn- / houtzaag-molens / enz. enz. Om u echter van alle eene naauwkeurige beschrijving te geven / zou mij buiten mijn bestek voeren en voor u echter nog onvolledig / onverstaanbaar en vervelend zijn ; waarom gij veel beter handelt / om bij gelegenheid / deze werktuigen met eigene oogen te zien en u nopens alles naauwkeurig te laten onderrigten.

Het zal zeker niet noodig  zijn om u het groote nut van deze kunstwerktuigen / alsmede de verdienstelijkheid van derzelver bestuurders / aantetoonen of te betoogen.

Neringdoende Lieden

Kooplieden

Door kooplieden verstaat men menschen / welke allerlei natuur- en kunstvoortbrengselen koopen, ten einde dezelve weder te verkoopen, met oogmerk / om in de winst hun bestaan te vinden. Naar de wijze, waarop zij hunne waren veilen / kan men dezelve verdeelen in

a) eigenlijke of huisselijke kooplieden /  dat zijn die / welke 's huis hunne waren aan anderen verkoopen / b) kramers, of zij / welke hunne tenten of kramen op markten of kermissen opzetten / en daar hunne waren veilen en verkoopen / en / c) in venters, of zulk soort van lieden / welke in korven / zakken / valiezen / koffers / enz. hunne waren pakken en dezelve in steden / vlekken en dorpen ten verkoop aanbieden. Naar de waren, waarin zij handelen / kan men dezelve onderscheiden in : a) kruideniers, of zij welke allerlei waren tot huiselijk gebruik / b.v. : koffij / thee / zout / zeep / olij / stijfsel / blaauwsel / potasch / suiker / sijroop / kandij / kaarsen / tabak / peper / nagelgruis / anijs / enz. enz. verkoopen; b) manufacturisten, of zij welke allerlei gesnedene stoffen verkoopen / als : laken / baai / linnen / katoen / doeken / bombazijn / merino's / veters / lint / garen / zijde/ enz. enz.;

c) ijzerwaarverkoopers, als: platen / potten / spijkers / rangen / beitels / zagen / schaven / frhetten / boren / koffijmolens / strijkijzers / messen / vorken / scharen / enz. enz.; d) fruitwinkels , of die / welke allerlei soort van vruchten / als : appels / peren / pruimen / kersen / noten / mispels / aalbessen / kruisbessen / groenten / enz. enz. ten koop aanbieden ; e) vischverkoopers , of zij / welke schelvisch / schol / kabeljaauw / labberdaan / stokvisch / zalm / haring / bokking / enz. verkoopen ; f) boekverkoopers , dat zijn zij / welke boeken / papier / pennen / lak / ouwels / enz. enz. verkoopen; g) kleederkoopers , of zij  / welke allerlei nieuwe en oude kleedingstukken verkoopen; h) glas- en aardewerkverkoopers , of zij / die in flesschen / roemers / glazen / potten / pannen / kannen / schotels / borden / enz. enz. handelen; i) steenkoopers , dat zijn zulke lieden  / welke steen / kalk / cement / estrikken / enz. enz. verkoopen ; k) houtverkoopers , of zij  / welke balken / planken / palen / latten / sparren / juffers / posten / schrooten / achterafdeelen / schotten / enz. enz. verkoopen ; l) verfstofkooplieden , of zij / welke vermolij / loodwit / krijtwit / stopverw / engelsch rood / menie / koningsgeel / parijsch groen / bremer groen / kromaat-geel en groen / berlijner blaauw / spaansch groen / smak / mul / geelhout / provencie-hout / fernambuk / galnoten / koperrood / enz. enz. verkoopen ; m) muzijkinstrumentverkoopers , of die / welke waldhorens / fagotten / trombone's / fluiten / klarinetten / schalmeijen / hoebo's / violen / guitarre's / snaren / handstokken of rottings / pijpen / enz. enz. verkoopen ; n) paardenhandelaars ; o) koekoopers ; en p) commissionairs, of zij  / welke de onderscheidene producten voor anderen verkoopen; enz. enz.

Tot het beroep van koopman wordt vereischt / dat zij goed lezen / schrijven / uit het hoofd rekenen en cijferen kunnen; alsmede / dat zij allerlei muntspeciën vaardig kennen ; dat zij met de maten en gewichten / alsmede de verhouding van dezelve bekend zijn ; dat zij vaardigheid hebben in het zuiver meten en wegen der verschillende waren / welke dit vorderen ; en eindelijk / dat zij eene grondige kennis door leering en ondervinding van de voorwerpen / waarin zij handelen / hebben verworven. Verder moet een koopman stipt eerlijk en getrouw zijn / zoodat de koopers op hen kunnen vertrouwen ; zich met eene matige winst vergenoegen ; de prijzen zijner waren naauwkeurig en vaardig meten; van den inkoop en verkoop aanteekening houden hetrgene hij aan anderen op crediet verkoopt / dadelijk aanteekenen ; de winst van zijne ontvangst afzonderen en dezelve alleen voor zijn behoeften gebruiken / en orde en zindelijkheid in zijne winkels / pakhuizen of andere bergplaatsen bewaren. Eindelijk moet hij naauwkeurig zorgen / dat zijne lengte-maten de vereischte lengte, de inhoudsmaten de ware grootte, en de gewigten de bepaalde zwaarte bezitten / alsmede / dat zijne balans zuiver is / dat wil zeggen / dat de beide armen derzelve niet alleen eene gelijke zwaarte , maar ook eene volmaakt gelijke lengte hebben. Om dit te beproeven zet men de waren en het gewigt / nadat beide gelijk zijn / om / en / bijaldien het dan weder gelijk is / verstrekt dit tot bewijs van de zuiverheid der balans ; is er verschil / dan deugt de balans niet en hij moet zich van eene andere voorzien. Om met eene valsche balans / het ware gewigt der goederen te bekomen / weegt men dezelve eerst in de eene en daarna in de andere schaal / vermenigvuldigt de beide verschillende uitkomsten met elkander en trekt hieruit den vierkantswortel, en deze is dan het ware gewigt van het product. Stel / dat de waren in de eene schaal 4 pond en in de andere 9 pond wegen / zoo is 4 maal 9 gelijk aan 36, en de vierkantswortel uit 36 is 6 ; zoodat dan 6 pond het juiste gewigt van het product is. Iets van het nut / de noodzakelijkheid en verdienste der kooplieden te zeggen / zal zeker niet noodig zijn.

Neringdoende Lieden

Kasteleins.

Door kasteleins verstaat men lieden, welke hun bestaan zoeken in het verkoopen van bier , wijn, sterke dranken, koffij en andere noodwendigheden voor reizigers.

Men kan dezelve onderscheiden in : a) logementhouders, of zij , welke reizigers of andere lieden des nachts herbergen; - b) tappers, die slechts de straks genoemde producten aan hen , welke dezelve verlangen , verkoopen , zonder de lieden te herbergen; en c) kroeghouders, of zij, die niets, dan een weinig sterke dranken en bier verkoopen , terwijl hun de maat, hoe veel zij slechts op eens in huis mogen hebben, bepaald is.

Welgemanierdheid, goede smaak, gepaste vrolijkheid, wezenlijke vriendelijkheid, wel bestuurde spraakzaamheid, menschlievendheid, hulp- en dienstvaardigheid, stipte eerlijkheid, goede trouw, kennis zijner producten van verkoop, vaardigheid in de cijfer- en rekenkunde en kennis van allerlei muntspeciën, zijn  onmisbare vereischten in eenen logementhouder , alsmede ten deele in eenen tapper.

Voor reizigers, kooplieden en andere standen zijn de logementhouders en tappers onontbeerlijk; weshalve deze beroepen eene wezenlijke behoefte in de zamenleving vervullen.

Regeringsleden

Krijgslieden

De krijgslieden zijn knechten van het vaderland en den koning. Hun plicht is het land en het hoofd des Staats tegen de heerschzuchtige of wraakgierige aanvallen van buitenlandsche mogendheden te verdedigen en inwendig de rust en eendracht der staatsburgers te bewaren. In tijd van vrede moeten zij op alles een waakzaam oog houden / bij uit- en inwendige oorlogen zijn zij verpligt dezelve met geweld van wapenen te dempen; de wetten / regten en bezittingen der burgers te verdedigen en den koning tegen alle baatzuchtige / lage of onregtvaardige aanvallen van in- of buitenlandsche vijanden te beschermen. Daarom moeten zij om den troon des konings / op de grenzen en in de steden / het geheele land door verspreid zijn / ten einde op alles een waakzaam oog te houden en / in geval van nood / liefde voor het land / voor den koning / voor zijn bloedverwanten / vrienden en bezittingen en pligt als burger en onderdaan gebieden / om toe te springen / den troon te schragen en voor haardsteden en altaren te strijden. Hunne benamingen zijn: soldaat / korporaal / fourier / sergeant / sergeant-majoor / adjudant-majoor luitenant / kapitein / kolonel / generaal / veldmaarschalk / enz. enz.

Men heeft ook krijgslieden ter zee / die aldaar moeten werken of strijden. Deze hebben weder andere benamingen. Ruim honderd soldaten met hunne officieren heeten eene kompagnie; eenige kompagnien noemt men een bataillon ;  eenige bataillons dragen den naam van regiment en alle regimenten te zamen maken eene armee uit. De krijgslieden moeten strijden met geweren / bajonetten / degens / sabels / kanonnen / enz. Dan / zullen zij dit naar eisch en met vaardigheid uitoefenen / dan moet dit door hen geleerd worden. Dit leeren noemt men oefenen in den wapenhandel of exercitie. Gij zult thans wel overtuigd zijn / dat goede krijgslieden uit de staatsburgers behooren te worden gekozen; dat vreemdelingen zeer zelden goede verdedigers van het land en den koning kunnen zijn ; dat ieder weerbaar burger / in tijd van algemeenen nood / krijgsman is ; dat het land en de koning  / zonder krijgsvolk / ieder oogenblik in gevaar zijn ; en dat derhalve goede krijgslieden regtmatige aanspraak op onze achting en genegenheid hebben.

Kunstenaars

Uurwerkmakers

Van af de allervroegste tijden, waren de menschen op middelen bedacht, om de tijd te meten, dewijl het voor ieder behoefte was , om juist te weten , hoe laat het ware. De eerste tijdmeters waren derhalve zonnewijzers ; doch deze waren hoogst onvoldoende , omdat dezelve slechts bij zonneschijn bruikbaar waren , doch bij eenen bewolkten hemel en des nachts niet van toepassing konden zijn. Naderhand vond men waterloopers en daarna zandloopers uit , tot dat men in de elfde eeuw , na Jezus geboorte, de raderuurwerken doch zonder slagwerk of slingers uitvond. De slingeruurwerken zijn in het midden der zeventiende eeuw, door eenen nederlandschen wijsgeer, Christiaan Huigens genoemd, uitgevonden. De zakuurwerken hebben hunne uitvinding aan eenen Neurenburger, omtrent het jaar 1500 , te danken. In 1344 werd in de stad Padua , in Italie , het eerste torenuurwerk gemaakt, en in 1564, in eenen toren in de stad Parijs, in Frankrijk, het tweede. De menschen, welke zich onledig houden met het vervaardigen van tijdmeters met raderen, welke gedreven of in beweging gebragt en gehouden worden door slingers of veeren, noemt men Uurwerkmakers. De stoffen , waaruit deze vervaardigd worden zijn : koper , ijzer , staal , zilver , en goud. De uurwerkmakers herstellen mede de gebrekkige en zuiveren de onreine uurwerken. Niemand uwer , die immer een uurwerk met opmerkzaamheid heeft beschouwd , zal de uitvinders derzelve de eer van bewondering misgunnen , de makers derzelve den naam van kunstenaars weigeren , noch hunne verdienstelijkheid voor de maatschappij in twijfel trekken. Ja , de uurwerkmakers verdienen wegens de groote en nuttige kunstgewrochten , die zij zamenstellen , onze achting , en toegenegenheid en gunst.

Land- en tuinlieden

Boeren

De benaming boer komt van het Duitsche woord bau-er , dat zoo veel beteekent als bouwer of landbouwer. De hoofdarbeid dus aan den boerenstand verknocht , is de landbouw. Door landbouw verstaat men de aankweeking van onderscheidene graansoorten , als : rog , haver , tarwe , enz. ; alsmede van andere vruchten , als : boekweit , boonen , raapzaad , aardappelen , knollen , erwten , meekrap , cichorei-wortel , vlas , enz. De gewassen , welke de boer aankweekt , worden onderscheiden in winter- en zomergewassen. Rog , weit , gerst , raapzaad , enz. behooren tot de wintergewassen , en deze worden in den herfst gezaaid. Zomergerst , haver , zomerrog , zomerraapzaad , boekweit , boonen , erwten , aardappelen , knollen , meekrap , cichorei-wortel en vlas zijn zomergewassen , en deze worden in de lente gezaaid. De onderscheidene werkzaamheden , die tot den landbouw vereischt worden

zijn: ploegen , zaaijen , eggen , wieden en schoffelen, rollen , jagen , zichten, of maaijen , binden , hokken , of keeren , in huis halen, (mennen) dorschen, waaijeren , zeven , inzakken en verkoopen. Groeijen de gewassen in den grond , dan moeten zij gerooid , gedroogd, tegen den vorst bewaard , of ter verkoop vervoerd worden. Het vlas wordt geplukt , en ondergaat dan eene veelsoortige bewerking. Dan, de bezigheid van den landman is niet enkel, zooals men ligt uit zijnen naam afleiden zoude, den grond bebouwen en verschillende gewassen aankweeken ; maar dewijl tot de aankweeking der gewassen ook meststoffen gevorderd worden en deze meest van het vee afkomstig zijn , zoo heeft men algemeen den landbouw met de veeteelt verbonden. Het voornaamste vee, dat de boer aankweekt , bestaat uit: koeijen, paarden , schapen , zwijnen , bokken , ezels , enz. Verder houdt hij eenden , ganzen , hoenderen , enz. Doch niet alleen weekt hij deze diersoorten aan ; maar de voortbrengselen van vele verarbeidt hij ook en vindt daarin een gedeelte van zijn bestaan. De voornaamste voortbrengselen zijn:

1.) Melk, waaruit hij boter en kaas vervaardigt; met het overschot - de karnemelk en de wei - voedt hij zijne zwijnen of varkens. Om van de melk boter te maken, moet dezelve eerst door ouderdom zuur geworden zijn; vervolgens moet men aan dezelve eenen zekeren graad van warmte geven ; dan in het karnvat zoo lang schommelen , dat het vet of de boter boven drijft en eene genoegzame vastheid bezit; dan neemt men de boter van de karnemeklk af , zet dezelve nog eens door , zout ze vervolgens en kneedt ze in stukken ter verkoop of bergt derzelve in een vat. Om kaas van de melk te vervaardigen, bezigt men gewoonlijk afgeroomde melk ; maakt dezelve door bijvoeging van stremsel , azijn of eiwit dik ; neemt het dikke daarna van de wei af ; werkt de wei er zuiver uit ; wrijft alles goed fijn en droog ; doet er zout en kruiderijen bij ; brengt alles in een kaasvat en daarna onder de pers ; neemt de kaas er na 12 à 20 uren uit ; en bergt haar op eene drooge en luchtige plaats , ten verkoop of gebruik.

2.) Wol, die hij in de maand Junij van de schapen scheert , droogt en ten verkoop aanbiedt.

3.) Eijeren , die hij van zijne eenden , hoenderen en ganzen verkrijgt en vervolgens verkoopt. Verder kweekt hij bij de paarden en ezels veulens, bij de schapen lammeren , bij de zwijnen biggen, bij de bokken jongen aan, welke hij , of verkoopt, of vet mest , om aan de vleeschhouwers te verkoopen, of voor zich zelven opkweekt. De boer moet , als veehouder , in den zomer niet alleen voor goede weide van zijn vee zorgen, maar hij moet tevens ook zorg dragen , dat hij wat voor hetzelve te eten heeft in den naderenden winter , wanneer het gras verteerd is , en er niets groeit. Dan moet hij zijn vee op de stallen of in hokken onderhouden. Daarom moet hij in den zomer eene genoegzame hoeveelheid gras ongemoeid laten opgroeijen , hetzelve in Junij of Julij maaijen , laten droogen . hetzelve te zamen werken en in de schuur of bij huis in hoopen verzamelen. Deze werking heet de hooibouw. Verder moet hij de mest op eenen geschikten tijd over het land brengen , de kleine hoopjes van het vee op het land uit een slaan , de slooten schutbaar houden en zuiveren , de aarde in den herfst over het land brengen , het al te onzuivere en uitgebouwde bouwland in den zomer braken. En in den winter het vee voederen en reinigen. Uit dit alles zult gij dus wel gemerkt hebben, dat de boerenstand de eerste , noodzakelijkste , de allergewigtigste stand in de geheele maatschappij uitmaakt , dat dezelve de eigenlijke spil mag heeten, om welke alle andere standen draaijen. Ja , zonder den boer had de groote koopman geene omzetting noch winst , de winkelier geen verkoop , de schipper geene vervoering , de arbeider geen werk en de geheele maatschappij geen brood. Dat de landman dus hooge aanspraak op de achting en toegenegenheid van de andere leden der maatschappij heeft, behoef ik zeker niet wijdloopig voor u te betoogen!

Handwerkers en Ambachtslieden.

Kuipers

De handwerkslieden / welke hun bestaan zoeken in het vervaardigen van allerlei houten vaatwerk / enz. Noemt men kuipers.

De vaten worden meest gemaakt van  eiken hout. Ten dien einde wordt het hout in dunne / smalle strooken / van eene bepaalde lengte / gezaagd / welke strooken men staven noemt. Wanneer nu de kuiper van die staven een vat wil vervaardigen / dan zet hij eerst een genoegzaam aantal van dezelve in ijzeren hoepels / neemt spaanders of eenige andere brandstof / werpt het hierin en steekt dit in den brand / waardoor de staven zich binnenwaarts krommen. Hierna strijkt hij de randen der staven regt / en wel zoo / dat hij aan de binnenzijden meer / dan aan de buitenranden afneemt / om de rondheid en het wel sluiten der staven te bevorderen / - maakt daarna de oppervlakte met eene andere schaaf glad/ - zet er den bodem in/ - neemt hoepels/ welke gemeenlijk uit dikke en gespletene wilgen teenen bestaan / - bestrijkt het vat met krijt/ om de stroefheid te bevorderen en het afglijden der hoepels te verhoeden / en slaat aan alle zijden de hoepels er zo stevig om / als dezelve dit kunnen uitstaan en nu is zijn vat gereed. De vaten dienen tot berging en vervoer van allerlei vloeistoffen / boter / zeep / potasch / suiker / beschuit / enz. De nuttigheid der vaten wordt algemeen erkend en behoeft geen bewijs.

Handwerkers en Ambachtslieden.

Schrijnwerkers

Schrijnwerkers zijn menschen , welke hun bestaan zoeken in het vervaardigen van kabinetten, kasten, kisten, lessenaars, secretaires, bureaux, enz. Deze voorwerpen worden hoofdzakelijk van hout gemaakt, veelal van eiken-, mahonie-, ijperen-, notenbomen-, beverësch-, greenen- en vuren hout. De werktuigen, die zij gebruiken , zijn meestal dezelfde , welke de timmerlieden ook moeten bezigen. Echter zijn  dezelve veelal kleiner , fijner , scherper en zekerder in hunne werking ; dewijl de arbeid der schrijnwerkers de hoogste naauwkeurigheid en eene zekere , zuivere , wiskundige werking vordert. Eerst moet de schrijnwerker alles zuiver afmeten, strijken, schaven, lijmen en zoodanig in elkander werken, dat er geene reet of geene spijker zigtbaar is, en dat alles zoodanig sluit , als of het uit één stuk hout vervaardigd of gegoten ware. De spijker of duikerkoppen worden ingedreven en de openingen met was gevuld. Daarna laat men het hout doortrekken van de eene of andere kleurstof, meestal aftreksel van provincie-, fernambuk-, of geelhout. Dit moet verscheidene keeren herhaald worden , tot dat het voorwerp de vereischte kleur heeft. Dan wordt het met verschillende soorten van gekleurd wrijfwas zoo lang gewreven , dat men zich in de oppervlakte spiegelen kan. De voorwerpen van greenen en vuren hout worden veelal slechts geverwd en met lak overstreken , of ook werkt men de deelen slechts ongeschaafd in elkander , maakt de buitenste oppervlakte met kalk glad en effen en bestrijkt dan dezelve zwaar met lak , waardoor zij glansrijk wordt. Het beroep van schrijnwerker vordert smaak, naauwkeurigheid, overleg, vlijt en geduld. De kunstige en schoone voortbrengselen van hunne bemoeijingen getuigen van de kunst , bekwaamheid , behendigheid , het nut en de achtenswaardigheid van derzelver vervaardigers.

Handwerkers en Ambachtslieden.

Spinners en spinsters

Hoe zuiver, schoon en sierlijk de wol ook door den wolkammer moge bereid worden , en welke prachtige kleuren de verwer ook aan dezelve moge geven, zij zou , als kleeding beschouwd , echter nog weinig waarde bezitten , indien er geene menschen waren, welke de kunst verstonden , om haar tot effene, lange, dunne draden of in garen te hervormen. De menschen nu , welke van wol en vlas, garen weten te vervaardigen noemt men spinners, of, indien het vrouwen zijn, spinsters.

Het spinnen geschiedt door middel van een werktuig, hetwelk spinnewiel genoemdt wordt en uitgevonden is door eenen zekeren Brunswijker metselaar, Jurgens genaamd , in het jaar 1530 na J. C.

De gewone spinnewielen zijn werktuigen , welke zijn zamengesteld uit eenen romp, die op drie beenen staat. Voor aan dezen romp zijn twee schuinsch staande armen , waaraan een ligt beweegbaar rad hangt. Dit rad wordt , door middel van eene trede van onderen, en eenen zwingel aan de zijde, met den eenen voet des spinners rond bewogen. Van achteren staan op den romp twee staken, die de spil van de zoogenaamde vlugt ophouden. Aan de spil zit een dubbel hout , voorzien van eene dubbele rij haken , waarover de draad loopt, terwijl aan het eene einde de spil hol is, waardoor de draad eerst loopt , voor zij op de haken klemt. Aan het andere einde der spil zit eene ingekerfde rol , de wervel genaamd, waarover eene snaar loopt, die mede over het groote rad gaat en die dient om de vlugt rond te bewegen. In het midden om de spil van de vlugt zit eene pijp, welke dient , om het garen om zich te winden. Om nu te verhoeden , dat deze pijp met de vlugt niet mede rond bewogen wordt, maar dat de vlugt bestendig om de pijp loopt , ten einde de draad daar om te winden, is er aan elk einde der pijp mede een ingekerfd rad gedraaid, over welke aan het eene einde eene andere snaar de dwarssnaar genaamd , gespannen is, welke van achteren in den romp aan eenen geschroefden staart verbonden is.

Om nu met dit werktuig de wol of het vlas in garen te veranderen , beweegt de spinner of spinster met den voet het rad, houdt met de linker hand de stof vast en trekt met de regter dezelve zeer dun en egaal uit , waarop het dadelijk door het rondbewogene rad tot een draad  gedraaid en door de vlugt op de pijp gebragt wordt.

Wil men nu dit garen tot de eene of andere kleedingstof laten weven , dan is het enkelvoudig daartoe gereed ; doch indien men er kousen van verlangt, dan draait men door het spinnenwiel drie of vier draden tezamen en deze werking heet twijnen.

Daar de spinner aan de eerste bereiding onzer noodzakelijke bedekking werkt, zoo behoeft zijne nuttigheid niet verder ontwikkeld te worden.

Handwerkers en Ambachtslieden.

Wevers

De kunst , om van garen allerlei kleedingstoffen te vervaardigen heet weven en de werkmeesters of uitvoerders dezer kunst worden wevers genaamd.

Het werktuig , waarmede dit geschiedt , noemt men weefstel of weefgetouw. Eene volledige beschrijving van al de deelen der verschillende soorten van weefgetouwen, alsmede hoe zij werken, zoude te veel van uwe verbeeldingskracht gevergd zijn en uw begrip te boven gaan, waarom het beter is deze kunstwerktuigen met eigen oogen naauwlettend te beschouwen, de werking te zien en u door de kunstenaars nopens alles te laten onderrigten. Gij zult u dus vooreerst moeten vergenoegen met te weten, dat de wever eerst een groot aantal lange draden , ten breedte als de stof zal zijn , scheert , hetgeen men scheergaren noemt. Door middel van het weefgetouw worden nu de beide helften dezer draden beurtelings opgeligt en vormen eene opening , waardoor de werkmeester zeer vlug en behendig een klein werktuig , de spoel genoemd , weet te werpen. In deze spoel is eene opening, in welke zich een rietje, dat met garen omwonden is, bevindt, van hetwelk bij iederen smeet der spoel een draadje door de opening gebragt wordt , welke draad dan in inslag genoemd wordt. Deze draden worden bestendig met het werktuig aan elkander geschoven en gestoten , opdat de stof de noodige digtheid erlange. En zoo gaat deze werking al voort, tot dat de scheerdraden ten einde zijn, als wanneer deze weder van nieuws moeten worden opgezet.

De wevers werken in het garen van vlas, hennip, wol, katoen, in het garen , hetwelk van het haar van den bok van Angora (kemelshaar) gemaakt wordt, in dat van zijde en van de schil van brandnetelen.

Hiervan vervaardigt hij linnen, zeildoek, vlaggedoek, kaasdoek, vliegedoek, laken, duffel, everlast, merino’s, katoen, watertwist, baptist-katoen, broekstof, allerlei doeken, kleedzijde, doekzijde, mutszijde, kanten, kamerdoek, gaas, tuil, neteldoek, en honderde van andere stoffen meer: te veel om op te noemen.

Daar de wever het onbruikbare garen tot bruikbare kleedingstoffen verarbeidt, zoo mag zijn arbeid hoogstnuttig en onmisbaar  en hij een’ der nuttigste leden van de maatschappij genoemd worden.  

Loondienaren en Dienaressen

Knechten

Zij / die bij het jaar / het half jaar / de maand of de week zich voor eenen bepaalden prijs bij iemand verhuren / om den eenen of anderen arbeid te verrichten/ noemt men knechten , het zij deze geuwd of ongehuwd zijn / bij den huurder inwonen of niet / den kost bij hem genieten / of op eigenen kost werken. Dezelfde hoofdvereischten / die bij den daglooner opgegeven zijn / worden mede bij eenen goeden knecht gevorderd. Ook deze thans genoemde betrekking is nuttig en allernoodzakelijkst voor de maatschappij.

Loondienaren en Dienaressen

Meiden

Alle ongehuwde lieden van het vrouwelijke geslacht, welke zich voor eenen bepaalden tijd en prijs verbinden, om zeker vrouwelijk werk waartenemen, noemt men meiden. Eene meid , welke zich den naam van goed wil waardig maken, behoort waarheidlievend , eerlijk, trouw , arbeidzaam , oplettend , ordelijk , zindelijk , dienstvaardig , bescheiden en nederig te zijn. Ook deze thans genoemde betrekking is nuttig en allernoodzakelijkst voor de maatschappij.

Beroepen voorkomend in de kwartieren van Bea David en Frans Winkens

Stamboomonderzoek