De Bokkerijders-overval op het gezin Ritzen-Wetsels in april 1762 te Wijnandsrade (kwartieren 176 en 177)

F.J.L. Winkens

Samenstelling van het gezin.

Het gezin Ritzen-Wetsels bestond ten tijde van de overval uit:

Hendrik Ritzen, deze was de zoon van Leonardus Ritzen en Helena Cotters. Hendrik is op vrijdag 9 november 1731 te Heerlen gedoopt. Van beroep was hij landbouwer,brouwer,herbergier en winkelier. Hendrik is op 66 jarige leeftijd op maandag 25 december 1797 te Heerlen overleden. Op 24 jarige leeftijd trad Hendrik in het huwelijk met de toen 28 jarige Anna Gertrudis Wetsels. Het huwelijk vond plaats op zondag 9 mei 1756 te Heerlen.

Anna Gertrudis Wetsels, was de dochter van Casparus Wetsels en Margarita Merkelbach. Anna Gertrudis is op zondag 25 april 1728 te Heerlen gedoopt. Van beroep was zij herbergierster en winkelierster. Anna Gertrudis is op 83 jarige leeftijd op vrijdag 18 oktober 1811 te Heerlen overleden. 

Ten tijde van de overval had het gezin 3 kinderen en was reeds 1 kind overleden.

Jan Leonard, geboren te Wijnandsrade op dinsdag 2 nov 1756;

Petrus Casparus, op zaterdag 22 apr 1758 gedoopt te Wijnandsrade;

Maria Margaretha , op woensdag 2 jan 1760 gedoopt te Wijnandsrade;

Maria Magdalena , op zaterdag 20 maart 1762 gedoopt te Wijnandsrade en dezelfde dag overleden.

Het echtpaar krijgt na de overval nog 2 zonen en 3 dochters.

De Huysbraecke in het Panhuys te Wijnandsrade.

De overval werd beraamd en grondig in alle details besproken bij het afgelegen kapelletje in het Kratzbusch, niet ver van Broichhausen. Daarna werden ongeveer 30 bendeleden opgeroepen. In de nacht van maandag 19 op dinsdag 20 april 1762 omstreeks 11 uur ’s avonds trokken de bokkenrijders op naar Wijnandsrade in het land van Valkenburg. Als leiders worden Dirk Hersscheler uit Neerbeek en Paulus Janssen uit Elsloo genoemd, het is niet uitgesloten dat het daadwerkelijke commando werd gevoerd door de chirurgijn Joseph Kerckhoffs. De bokkenrijders hadden hun gezichten zwart gemaakt of doeken voor hun gezicht gebonden.

De bendeleden waren o.a. afkomstig van Ubach, Herbach, Herzogenrath, Heerlen, Heerlerheide, Neerbeek, Elsloo, Geleen, Klimmen, de Heeck, Schin op Geul, Coolhoven, Havert en Roebroek. De overval op het panhuis in Wijnandsrade werd een van de meest lonende misdrijven van de Bokkenrijders. Het panhuis (brouwerij) in Wijnandsrade werd bewoond door Hendrik Ritzen, zijn vrouw Anna Gertrudis Wetzels en hun drie kleine kinderen. In het pand was behalve een herberg ook een winkel gevestigd. Bovendien was het in gebruik als verenigingslokaal van de schutters. Op 7 mei 1762 ging de schepenbank van Wijnandsrade naar het panhuis om ter plaatse een kijkje te nemen en de bewoners te horen over de overval. De schepenbank bestond uit de schepenen Rutgerus Quix, Hubertus Goffin en Johannes Hubertus Dullens.

De schepenbank constateerde, dat de bandieten gaten in de lemen wand hadden gemaakt om de huisdeur aan de binnenkant open te maken. In de deur zaten diepe kuilen en schrammen, die door houten palen en breekijzers veroorzaakt waren. De keukendeur was op dezelfde manier en door kogelgaten beschadigd. In de keukenwand en in de kamerdeur zaten ook kogelgaten, terwijl er ruiten in het huis waren stukgeslagen.

Ten tijde van de overval was Hendrik Ritzen 33 jaar oud. Hij was de waard in het panhuis. Volgens zijn verklaringen lag hij in bed toen hij in de bewuste nacht onbekenden aan de deur hoorde morrelen. Hij riep zijn dienstmeisje Aldegondis Drummen. Direct daarna werd er beneden met zware balken op de deur gebonsd. Hendrik Ritzen sprong uit bed en ging gewapend met een “snaphaen” naar beneden en schoot door de keukendeur naar buiten. Zoals later zou blijken werd een van de bokkenrijders aan zijn hand gewond. De bokkenrijders, die bij de keukendeur bezig waren stoorden zich er niet aan. Zij bleven met een zware balk de deur rammen, die onder het geweld bezweek.

Hendrik Ritzen trok zich daarop in een andere kamer terug, want de bandieten begonnen nu ook op hem te schieten. Drie kogels werden afgevuurd. Hendrik werd niet geraakt. Wel trok hij zich verder terug, naar een andere kamer in het huis. Deze kamer vergrendelde hij en wachtte daar met zijn vrouw en dienstmeid de bokkenrijders op.

Inmiddels waren de andere deuren bezweken en hoorde Hendrik hoe de bandieten de deur van de kamer waarin hij zich bevond, onder handen namen. Zij gingen er zo woest tegen te keer dat de hengsels en panelen in het rond vlogen. Zes bokkenrijders stormden naar binnen en grepen Hendrik vast. Het was allemaal zo snel in zijn werk gegaan, dat hij geen tijd meer had gekregen om een tweede schot te lossen. Hendrik werd volgens eigen zeggen “door vijff a ses personen aengevat, neder ter aerde geworpe, aen handen en voeten gebonden, ende grouwelijk geslagen ende mishandelt geworden ten tijde dat eenige andere van dese geweldenaers sijne huisvrouwe ende meijdt van s’gelijcken gebonden hadden” De mannen droegen grijze, blauwe en bruine kleren.

De overval was zeer goed georganiseerd en de opdrachten goed verdeeld. Terwijl de bewoners onder handen werden genomen en bewaakt werd het panhuis door anderen systematisch doorzocht en leeggehaald.

Hendrik had niemand herkend omdat de bandieten doeken voor hun gezicht hadden gebonden. Hij dacht, dat hij een van hen aan zijn stem had herkend: een zekere Andries, (een zoon van de oude vroedvrouw) die “aen de Linde” in Heerlen woonde en getrouwd was “met een vrembt vrouwmensch, hebbende den selven oock noch twee susters, die oock wijsvrouwen (vroedvrouwen) sijn”. Ritzen verklaarde nadrukkelijk, dat hij Andries niet had gezien. Dat was ook onmogelijk geweest, omdat hij gekneveld op zijn buik op de grond lag. Ritzen had echter vroeger ook in Heerlen aan de Linden gewoond en meende dat hij toen vaker met Andries gesproken had. Deze Andries had hem het ergst mishandeld, “ende booven dijen hem met sijne heimelijke leden gevatt hebbende, deselve gedreijgt hadde, aff te snijden, in dijen hij deponent niet zeggen soude, waer sijn gelt was”. De vroegere woonplaats van Ritzen aan de Linden in Heerlen was op de hoek van de Nobelstraat en de Kruisstraat. Andries Cornée woonde er nog in 1762. Hij verdiende als leiendekeer zijn boterham. Door zijn complicen werd hij “Andrieske”, “het leiendekkertje” en “der Ling” genoemd. Andries was getrouwd met Maria Koko (Koken).

De buit die de bokkenrijders in Wijnandsrade maakten was aanzienlijk. Uit het panhuis verdwenen: uit een kist in de kleine kamer een carolin en 6 halve carolinen, 5 cronen, en 5 á 6 pattacons aan kleingeld verder stalen ze er linnengoed en kleeren, in de groote kamer roofden ze aan geld 6 tot 7 pattacons, linnengoed en kleeren, waaronder 2 dozijn hemden voor mannen en vele hemden voor vrouwen, een zijden kleed, zakdoeken, trekmutsen, een laken jas, een zwart camisool, een leren broek, twee paar kousen, schorten en verder twee gouden kruisen en een zilver. Zij doorsnuffelden alles, zelfs het stro van het bed waarin zij nog 15 tot 16 pattacons in een gouden doos vonden. Vervolgens drongen ze ook de winkel binnen. Aan geld stalen de dieven hier ongeveer 25 mark in Akensche “Buschen”  bovendien namen zij nog waren mee als galons, hemden, linnen, lakmoes en nog 5 tot 6 gulden in een zakje. In het geheel schatte Ritzen de waarde van de gestolen effecten op 1500 gulden, voor die tijd een behoorlijk hoog bedrag.

Bij de overval spraken de bandieten “gebroken Duits” terwijl ze elkaar betitelden als heren soldaten, generaal, overste, kapitein en luitenant. Zij deden dit om Ritzen in de waan te brengen, dat hij door een leger soldaten was overvallen. In het panhuis stond ook het vaandel van de schutterij van Wijnandsrade. De bokkenrijders eigenden het zich toe met de woorden: “Het is schaede, dat tegenwoordigh onsen vaendraeger niet bij ons is. Hier is de vaene”. Bij de inbraak was het hele huis verlicht; want de dieven hadden groote spintlichten meegebracht, waarvan zij zich bij het doorzoeken van de brouwerij bedienden.

Na de overval begaven de meeste der bokkerijders zich naar de herberg van slager Frans Willem in Broichhausen, waar zij onder een glas brandewijn de buit verdeelden; enkelen keerden nog dezelfde nacht huiswaarts.

Hendrik Ritzen vertelde de schepenen hoe hij op eigen gelegenheid geprobeerd had de boeven op het spoor te komen. Op woensdag 5 mei was hij naar Palenberg (gelegen bij Marienberg) gegaan. Een zekere Maria Gottschalk had hem zijn kwitantieboekje en 2 obligaties teruggegeven, dat hij bij de overval was kwijt geraakt. De vrouw had hem verteld, dat ze dat boekje in het Kratzbusch had gevonden. Hendrik was toen samen met de vrouw naar het bos gegaan.

Daar wees zij hem de plaats, waar het boekje had gelegen. Hendrik onderzocht de omgeving nauwkeurig en vond nog enige pakjes  lakmoes en een paar kousen die de bandieten uit zijn winkel hadden gestolen.

Twee dagen tevoren, op maandag 3 mei had Hendrik in Maastricht al sporen van de overval op zijn huis ontdekt. Bij een oude-kleren opkoper in Wyck uitbater van een uitdragerij naast het nieuwe kloostertje zag hij zijn hoed terug, die de bokkenrijders hadden meegenomen. De klerenkoopman had hem verteld dat hij de hoed van een soldaat in de Barakken te Maastricht had gekocht. Deze soldaat was Willem Hartzog uit Heerlen.

Enkele dagen voordat de schepenen bij hem kwamen was Hendrik naar Heerlen gegaan waar hij had vernomen dat een zekere Henricus “Villers Driek”, die vroeger te Trips bij Geilenkirchen woonde en nu woonachtig bij Winandus Merckelbach in de buurt van het kerkhof te Heerlen, bij het opgaan van de zon alle details over de diefstal had verteld op dezelfde dag enkele uren na het plegen van de diefstal.

Volgens de lezing van Anna waren de bandieten tussen elf en twaalf uur bij het Panhuis verschenen. Zij werd wakker door het bonken op de huisdeur. Geheel van streek rende zij naar een andere kamer, opende een raam en begon om hulp te roepen. Onmiddellijk daarna vlogen ruiten aan diggelen. De bandieten sloegen met geweld in haar richting. Zij hoorde de huisdeur open vliegen, waarbij enkele schoten gelost werden. Anna vluchtte naar de kamer waar haar man zich ophield. Hij grendelde de deur, die echter geen weerstand bood aan het geweld van de bokkenrijders.

De bandieten drongen naar binnen, grepen haar vast en sloegen en schopten haar waar zij Anna maar raken konden. Half bewusteloos viel zij op de grond. Zij kon zich derhalve niet veel meer herinneren wat er die nacht gebeurd was. Anna had wel nog gehoord hoe kisten en kasten werden opengebroken. Langzaam was zij weer enigszins bijgekomen en zag vanuit haar ooghoeken een kerel bij een kast staan. Hij was niet bijzonder groot, had een gedrongen postuur en droeg een blauwe kiel. Omdat de man met zijn rug naar haar stond kon Anna niet met zekerheid zeggen wie het was. Ze dacht echter toch, dat het de vilder Willem van Lommersbergh was die bij het Heeckerbosch bij Valkenburch woonde. De vilder droeg een blauwe kiel.

Het dienstmeisje Aldegondis Drummen was in mei 1762 twintig jaar oud. Zij werd in de nacht van de overval wakker omdat zij Hendrik Ritzen hoorde roepen. Onmiddellijk daarna was een groot tumult in de keuken ontstaan. Zij hoorde hoe een aantal schoten werd gelost. Zij vluchtte naar de kamer van Anna. Toen die deur ook geforceerd werd holden beide vrouwen naar de kamer waar Hendrik Ritzen zich bevond. Het meisje onderging hetzelfde lot als Anna. Zij werd mishandeld en gekneveld op het bed geworpen. Zij moest op haar buik gaan liggen en werd met dekens en kussens toegedekt. Aldegondis hoorde nog hoe de bandieten elkaar met kapitein, korporaal en andere militaire termen aanspraken in een “vermaekte duitse taele”. Zij verklaarde, dat zijzelf spaarcenten, twee voorschorten, 6 trekmutsen en twee neusdoeken was kwijtgeraakt. Het dienstmeisje kon niet schrijven. Zij zette een kruisje onder haar verklaring, terwijl Anna en Hendrik onder het protocol een handtekening zetten. (later blijkt, dat het dienstmeisje tegen de schepenen had gelogen).

Ongeveer 11 à 13 jaar later werden de bokkenrijders gearresteerd. Adolf Steins uit Ubach – hij was reeds lid van de eerste bende – verklaarde op 5 augustus 1771 op de pijnbank van het kasteel te Herzogenrath, dat hij bij de overval op het Panhuis betrokken was. Hij noemde de namen van 50 complicen. Op de bewuste avond was hij met een groep van 30 man regelrecht naar Wijnandsrade getrokken. Bij het Panhuis gekomen, hielp hij mee bij het breken van een gat in de lemen wand. Met een dikke balk werd de deur uit zijn hengsels gelopen. Adolf vertelde, dat de bewoner in het huis op hen had geschoten. Nadat de buit binnen was werden de goederen in het Kratzbosch verdeeld. Toen de mannen daar bijeen zaten kwam een voerman met een kar voorbij. Op die kar zat een groep mensen. Uit angst door de voerman ontdekt te worden verstopten zij zich in de struiken van het Kratzbosch. Peter Ploem uit Herbach verloor daarbij het kwitantieboekje van Ritzen. De kaarten met lakmoes gingen ook verloren. Enkele dagen later zou het kwitantieboekje door Maria Gottschalck uit Palenberg gevonden worden. Peter Ploem had de bijnaam “Schleyen Peter”. Hij woonde in de Schley te Herbach bij Merkstein.

Adolf Steins was van beroep wever. Zijn bijnaam luidde “Schütgens Adolf”. Adolf werd op zijn rooftochten met de bende steeds door zijn vrouw Gertrudis vergezeld. Zijn beide zoons Leonard en Henderick waren eveneens lid van de bokkenrijders. Adolf en Henderick werden na hun proces op 15 oktober 1771 op de Beckenbergh opgehangen. Leonard ontsnapte uit zijn cel in het kasteel van Herzogenrath.

De 33-jarige Hendrik Ruyters uit Heerlen, alias “Den konijnen Dirk” was naar Raven bij Amby verhuisd, omdat men in Heerlen een begin met de arrestaties van de bokkenrijders had gemaakt. Hij diende in Raven als knecht. Hij voegde zich op 19 april 1742 bij een groep bokkenrijders, die aan de Prikkenisserheggen wachtten op het sein van de aanval. Via Ten Esschen waren zij naar Wijnandsrade gegaan. De eerste opdracht, die zij in Wijnandsrade moeste uitvoeren was stukjes hout in de sleutelgaten van de kerkdeuren slaan. Dit werd gedaan om te voorkomen, dat iemand naar de kerk zou vluchten en daar door het luiden van de klokken de omgeving kon alarmeren. Ook werden er schildwachten geplaatst bij alle uitvalswegen zo ook ‘’ aen eenen stiggel naest eenen wegh of voetpad langs waer de inwoonders van Swier ter kerke gaen”  Vervolgens forceerden zij de deuren van het Panhuis.

De tollenaar Caspar van Mechelen uit Schin op Geul had die nacht op uitkijk gestaan. Van Herman Luyten uit Geleen had hij na afloop gehoord, dat enkele bendeleden Hendrick Ritzen hadden willen doden. Kapitein Kerchoffs had dit echter uitdrukkelijk verboden. De chirurgijn motiveerde zijn verbod: “Die man heeft zich zo goed verdedigd, dat Kerckhoffs daede wensen, dat de gesellen van sijne compagnie sulckse courage hadden, dat het alsdan beter soude gaen”.

Toen Anthoon Emants uit Heeck – hij was ook betrokken bij de overval op de eremieten op de Schaelsberg – in Wijnandsrade arriveerde, werd hij samen met Coen Sporken en de metselaar Joannes Silvertant uit de Houtstraat te Klimmen op de uitkijk gezet. Hij moest bij het bruggetje tegenover het Panhuis gaan staan. Toen zijn complicen het huis binnendrongen, hoorde Anthoon een “scheut” afgaan. Naderhand had hij gehoord dat Andries Cornée door dat schot gewond was geraakt. Zijn complicen hadden alles gestolen wat zij konden vinden, behalve goederen van het dienstmeisje. Omdat Aldegondis diverse mannen had herkend beloofden de bokkenrijders haar, dat zij van haar niets zouden stelen als zij haar mond hield. Het meisje beloofde dit en de bokkenrijders hielden woord. Dit is in volstrekte tegenstelling met hetgeen Aldegondis voor de schepenbank verklaarde. Volgens Anthoon hadden zijn complicen na gedane arbeid in het Panhuis goed gegeten en gedronken. De vrouw van Ritzen had onlangs een kind gekregen dat Maria Magdalena werd gedoopt. Na de doop op 20 maart was het kind echter overleden. Anna zou de volgende dag “de kerkgang doen” en had daarvoor vlees klaar gezet. Dit vlees hadden de bokkenrijders gevonden en verorberd. Anthoon Emants die buiten op straat stond mocht ook in de algehele vreugde delen. De glaeser bracht hem twee glazen bier en twee glazen brandewijn.

De beruchte vilder Nicolaas Herscheler van Schrieversheide belande 4 en 5 mei 1773 op de pijnbank. Bij de eerste marteling wilde hij nauwelijks iets kwijt. Een dag later was hij echter gewilliger. Hij gaf onder andere toe dat hij op de uitkijk gestaan had, zover van het Panhuis verwijderd, dat hij niet wist wat zich in huis afgespeeld had. Op 6 juli werd hij opnieuw op de pijnbank gelegd. Hij bekende weer nieuwe diefstallen, waaronder ook de overval in de Adamsmolen te Würselen, die op 12 maart 1767 werd gepleegd.

De bokkenrijder Thomas Boumans, die eveneens in Valkenburg gevangen zat, werd met Nicolaas geconfronteerd,Thomas sloeg onmiddellijk door en zei, dat Nicolaas ook medeplichtig was aan de diefstallen bij Mathias Benders te Heerlen, Joseph Wielders op Ten Esschenen in de Baalsbruggermolen. Thomas had gezien, dat Nicolaas op Hendrik Ritzen had geschoten. Voor Nicolaas had het geen zin meer te ontkennen. Hij gaf alles toe, wat Thomas had verteld. Bovendien ontzenuwde hij de verklaring van Anthoon Emantsdat de bokkenrijder Andries Cornée gewond was geraakt. Volgens Nicolaas werd een complice uit Havert getroffen. De naam van de man kende hij niet, maar hij noemde zich Peter en was spencelenkremer. Die Peter was samen met Andries Cornée en Nicolaas Creuwen naar Heerlen gekomen. Verder waren bij de overval aanwezig: Pieter Mengelers geboren op het Rittersbeek van professie een wolspinder, Lins Schouteten uit Arendsgenhout verdiende zijn brood met timmeren en Christiaan Ramakers geboortig der hoofdbancke van Climmen en van professie siroopdraijer.

Hoe verging het verder met de gearresteerde bokkenrijders.

Dirk Hersseler, uit Neerbeek een van de kapiteins bij de overval op het panhuys, werd op 3 juni 1773 in Elsloo gearresteerd, en werd uitgeleverd aan Valkenburg. Hij werd op 23 september 1773 op Graetheide geradbraakt, daarna werden in verband met de afgelegde eed twee vingers van zijn rechterhand afgekapt, waarna onthoofding volgde. Zijn hoofd werd op een pin te pronk gezet.

Andries Cornée, uit Heerlen werd op 6 april 1773 gearresteerd. Nadat hij op 6 april en 1 mei 1773 bekend had, werd hij op 18 mei van datzelfde jaar op de Heesberg te Heerlen opgehangen.

Joseph Kerckhoffs, den Chirurgijn uit Herzogenrath en commandant van de bende werd op 14 augustus 1771 gearresteerd, vervolgens meermalen getortureerd in alle graduaties maar heeft nooit bekend. Vonnis op 4 mei: galg Hij werd op 11 mei 1772 opgehangen op de Beckenberg

Willem Hartzog, uit Heerlen. Gearresteerd 28 juni 1773. Vonnis: galg uitgevoerd 6 maart 1776 te Maastricht.

Henrikus Villers Driek, geen verdere gegevens bekend.

Willem van Lommersbergh, uit Klimmen, geen verdere gegevens bekend.

Adolf Steins uit Ubach, (Schutgens Adolf) gearresteerd maart 1771, scherper examen 25 en 26 april en recollectie 27 april; vonnis: galg, uitgevoerd 15 oktober 1771

Peter Ploem, uit Herbach (bijgenaamd Scheyen Peter, den jongen) verhoord 16 en 17 februari 1773; vonnis: doodstraf uitgevoerd voor eind september 1773.

Henrick Ruijters, uit Heerlen (den Konijnen Dirk), gearresteerd 14 augustus 1775, vonnis: galg, uitgevoerd 5 oktober 1775.

Caspar van Mechelen, uit Schin op Geul; aanvoerder van het “corps van Schin”. Gearresteerd 8 februari 1776, scherper examen 10 en 12 april, recollectie 13 april en scherper examen 20 augustus. Vonnis 24 september: galg, uitgevoerd 28 september 1776 “aan de heide”.

Herman Luijten, uit Geleen geen verdere gegevens bekend.

Anthonis Emants, uit Heeck, gearresteerd 20 oktober 1774, scherper examen op 14, 15 en 30 november. Overleden in detentie op 29 december 1774. Vonnis: de volgende dag werd zijn lijk op de Lommelenberg aan de galg gehangen.

Coen Sporken, uit Klimmen “mangele Peterken” woonde in Retersbeek, gearresteerd eind november1773, na korte tijd weer in vrijheid gesteld andermaal gearresteerd op 24 november 1775. Vonnis: galg uitgevoerd 11 januari 1776

Joannes Silvertand, uit Klimmen geen verdere gegevens bekend.

Nicolaas Herscheller, uit Schrieversheide, Heerlerheide. Een der leiders. Gearresteerd begin mei 1773, verhoord 3 en 4 mei, scherper examen op 6 en 7 juli. Vonnis: radbraken, van onder met acht slagen. Hoofd en lichaam op rad te pronk stellen. Vonnis uitgevoerd op 10 november 1773.

Thomas Boumans, uit Roebroek, scherper examen op 19 juni, 1 en 2 juli 1773. Vonnis op 1 november: galg, uitgevoerd 10 november 1773.

Nicolaas Creuwen, uit Coolhoven, gearresteerd vermoedelijk 12 mei 1773. Verhoord 15 mei, scherper examen1 en 2 juni,  recollectie 3 juni. Vonnis: galg uitgevoerd 15 juni 1773.

Peter de spencelenkremer, uit Havert geen verdere gegevens bekend.

Anthoon Bosch, uit Heek ‘’de Glaeser”. Gevlucht en bij verstek veroordeeld.

Paulus Janssen, uit Elsloo, gearresteerd 13 september 1773, tortuur 21 september. Vonnis: galg, uitgevoerd 8 november 1773.

Pieter Mengelers, Soo is't dat Schepenen van het Hooge Geregte der stad en vrijheijd Valkenborg ter manisse van den Welde. Heer Lt. Voogd in naeme en vanwegens Haar Hoog Mogende de Heeren Staten Generaal der vereenigde Nederlanden, in saeke regt doende Condemneren den gedetineerde en beclaegde Piter Mengelers om binnen de Banke van Climmen gebragt te worden ter plaetse daer de Criminele justitie gedaan word en aldaer aen den Scherpregter overgelevert sijnde met den koorde gestraft te worden dater den dood nae volge en dat vervolgens desselfs doode lichaem in een keete geklonken op het galge veld andere ten Exempel en afschrik sal worden sal worden en blijven hangen.

Condemnerende den selven verders in de kosten en misen van justitie ter onser Taxatie en moderatie met verdere Confiscatie der selver goederen.

Actum in Jud. Extr. binnen Valkenborg den 1e october 1773 Coram D.D. van Craen, Wateler, Pelt, van Gendt, P. van den Heuvel et Wilmar.

Christiaan Ramakets, En dewijl nu dese en alle sijn feijten en enorme delicten dewelke Strijdende tegens de goddelijke en burgerlijke wetten en in een land alwaer goede justitie en politie vigeert niet tollerabel maer andere ten afschrik en exempel ten hoogsten strafbaer sijn, Soo is het dat Schepenen van het Hooge geregte der Stad en Vrijheijd Valkenborg ter manisse van den WelEed. Heer Lt. Voogd in naeme van en wegens Haar Hoog Moogende de Heeren Staten generaal der vereenigde Nederlanden, regt doende

Condemneren den gedetineerde en beclaegde Christiaen Ramakers om gebragt te worden ter plaetse daer men gewoon is Criminele justitie te doen en aldaer aen den Scherp-regter overgelevert sijnde met de koorde gestraft te worden dater de dood nae volgt en vervolgens desselfs doode lichaem in eene ijsere keeten geklonken andere ten exempel en afschrik op het galgenveld sal worden en blijven hangen. Met verdere Condemnatie van den gedetineerde en beclaegde in alle de Costen en misen van justitie ter onser taxatie en moderatie met verdere Confiscatie van der Selver goederen. Actum in judicio Extraordin.binne Valkenburg den 11 meert 1775 Coram Scabinis Van Craen, Wateler, Van Gendt, Mr. P.Van den Heuvel, Wintgens, Wilmar et Holzhuijsen.

Lins Schouteten, En dewijl dese en alle sijn feijtelijkheden en euveldaden strijdende tegens de goddelijke en burgerlijke wetten dewelke in een land alwaer goede justitie en politie vigeert niet tollerabel nog onverdragelijk maer andere ten exempel en afschrik ten hoogsten Strafbaer Sijn, Soo is het dat Schepenen van het Hooge Geregte der Stad en Vrijheijd Valkenborg ter manisse van den weled. Heer Lt. Voogd met assumptie van een onpartijdig regtsgeleerde in naeme en van wegens Haar Hoog Mogende de Heeren Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden in sake regt doende Condemneren den gedetineerde en beclaegde om gebragt te worden ter plaatse daer men gewoon is Criminele justitie te exerceren en aldaer aen een Scherpregeter overgelevert Sijnde met de koorde gestraft te worden datter de dood nae volgt en vervolgens desselfs doode lichaem in een keeten geklonken op het galge veld sal worden en blijven hangen; Condemnerende den beclaegde verders in de Costen en misen van justitie ter onser taxatie en moderatie met Confiscatie van goederen. Actum in judicio Extraordinaris binnen Valkenborg der 22e november 1774 Coram de Schepenen Van Craan, Wateler. Van Gendt, Wijntjes, Van den Heuvel e Wilmar.

 

Het panhuys.

Het panhuys zelf is in 1942 nagenoeg geheel afgebrand op de mergelstenen zijmuur na. Nadien is het gebouw weer opgetrokken, maar daarbij is de oorspronkelijke bouwstijl niet gehandhaafd. Wel is het karakter van de voorgevel behouden gebleven, de witte muur met de grote ronde poort. De keukendeur waarin zich nog de kogelgaten bevonden is helaas in de brand verloren gegaan.

Foto’s

Bezoek ons fotoarchief voor een impressie van de huidige locaties van de woonplaatsen, de plaatsen van misdrijf en van de plaatsen van gevangenschap, tortuur en berechting.

Literatuur

Naast eigen archiefonderzoek is ook onderstaande literatuur geraadpleegd.

De bokkerijdersbende met de doode hand.

H. Pijls 1924

De geschiedenis der Bokkerijders in het voormalige land van ’s Hertogenrode.

Dr. W. Gierlichs 1940/1972

Woeste avonturen van de bokkerijders.

g ramaekers ing en theo pasing 1972

De Bokkerijders

Roversbenden en geheime genootschappen in de landen van Overmaas

Anton Blok 1991

Bokkerijders rondom Wijnandsrade

Jack Jetten, Jo Coenen en Jan Jansen; 1992

Website van John van Eekelen “Afstammelingen van de bokkenrijders”

Familiegeschiedenis Winkens