Oude veldnamen herinneren aan een ver verleden.

De oude veldnamen, die in Oirsbeek en omgeving nog bestaan, zijn van verschillende oorsprong . Sommigen herinneren aan de namen van dieren. Zo lag bij het gehucht Gracht, dat tot de gemeente Oirsbeek behoort, “aen ‘t berrekuylken” (berenkuil). Deze naam was reeds in 1660, toen hij in een akte genoemd werd, bekend. Of er vroeger in de nabijheid van Oirsbeek beren in ‘t wild hebben geleefd is niet bekend. Als het zo is moet het in elk geval twaafl, veertien eeuwen geleden zijn geweest. Wel weet men, dat in de achtste eeuw, in de tijd van Karel de Grote, in deze streken nog beren werden aangetroffen. Zuid-Limburg was toen voor vier-vijfde bedekt met uitgestrekte dichte bossen en uiterst dun bevolkt. De weinige mensen, die er woonden, leefden in de Maasvallei en enkele kleinere rivierdalen, zoals dat van de Geul....

In het zelfde gehucht Gracht treft men de veldnamen “Quattelenkamp” en “In den Quattelen sack” aan. Dit herinnert vermoedelijk aan plaatsen waar veel kwartels werden gevonden. De kwartel is een mooie vogel, die vroeger in deze streken vrij talrijk was, maar er nu practisch niet meer voorkomt. Door de dichte bebouwing van de Mijnstreek is hij verjaagd. De kwartel lijkt op een patrijs - maar hij is alleen wat kleiner.

‘Der Muessen-weyde” roept de herinnering aan zwermen mussen op. In het gehucht Oppeven, dicht bij de grens met de gemeente Amstenrade ligt de Hinkskamp (hengstenkamp) In Doenrade treft men de Kattenberg aan.

Daar hebben vroeger verwilderde katten gehuist. Zij waren een plaag voor de boeren uit de omgeving omdat zij kippenhokken binnendrongen en als zij ongehinderd hun gang konden gaan geen kip in leven lieten. Tot in het begin van deze eeuw kwamen er nog verwilderde katten voor. Tegenwoordig zijn zelfs de katten geciviliseerde huisdieren geworden ook al zijn nog steeds in het donker alle katjes grauw en word bij voorkomende gelegenheden de kat in het donker geknepen. Maar dat komt dan voor rekeneing van de mensen; en niet voor die van de katten!

***     

Een grote groep veldnamen houdt met water verband. Hiertoe behoort in de eerste plaats ‘de vloot”, die het riool- en regenwater van Amstenrade en Oirsbeek naar de Geleenbeek afvoert. In vroeger eeuwen werd die vloot  ook de “Oe” genoemd. Hieraan is de naam Oirsbeek ontleend.

De naam Vlootsgraaf komt in Oirsbeek enkele keren voor. “Graaf” betekent hier, evenals het woord ‘gracht’ een verzameling van water, maar het kan ook verband houden met het woord “talud”. Dat wil zeggen: de ‘graaf’ liep langs de zijkant van de weg, vlak naast het hoge talud van de aangrenzende akkers en weilanden en ving het regenwater op dat naar de in de diepte gelegen weg stroomde. ‘t Woord “Vlootsgraaf” is zeer oud. In een schrijven uit 1691 wordt gesproken over “den floetgraeff” in Oppeven en in 1753 bestond te Doenrade de “grubbe ofte vloetsgraeff “.

Ook het woord “grubbe”houd verband met de afvoer van het water. Te Doenrade bestaan nog de Vileder Grub die in de richting Viel (gehucht Bingelrade) loopt en de Merkens- of Meyrkens Grub. Maar het mooiste voorbeeld waar de vroegere grub-situatie nog duidelijk te zien is, vindt men tussen de buurtschappen Gracht en Klein-Doenrade. Deze weg heet nu officieel Beukenberg. In het spraakgebruik  wordt hij echter nog algemeen ‘de Grub” genoemd. Naast de hoger gelegen rijweg vindt men er volkomen intakt de eeuwenoude afvoer voor het water uit de buurtschap Klein-Doenrade, die onder de provinciale weg door naar de Gracht loopt. Daar mondt deze afvoer uit in “de Vloot” om vervolgens bij Schinnen in de Geleenbeek te lozen.

De naam van ‘t gehucht Gracht houdt eveneens verband met de waterafvoer. Het is het laagst gelegen punt in de omgeving, waar niet alleen het water uit ‘t kerkdorp Oirsbeek, maar ook dat uit de velden van Hommert, Amstenrade, een gedeelte van Merkelbeek en van Treebeek naar toe stroomde.

De veldnaam ,,Maar” betekent moeras, ook wel drinkpoel voor het vee. In Doenrade lag vroeger een dergelijke stinkpoel, welke “Maar” werd genoemd. Deze poel is gedempt. En in het veld bij Klein-Doenrade ligt nog steeds de Latsmaar - een naam waarvan het eerste gedeelte afgeleid is van de familie Latten. Van de ,,Maar” zelf, hetzij poel of moeras is niets meer te bespeuren. Dat zich hier vroeger een vermoedelijk met water gevulde kuil heeft bevonden, blijkt uit een verkoopakte, waarin staat opgetekend: ,,alsoo bij uytganck van de brandende kertse (kaars) op den 20 Martij 1682 aen H.P. CL. Sijn verbleven 4 bunder ackerlandts gelegen omtrent Donraedt (bedoeld is hier Klein-Doenrade) op de Ladtsmaer van een meerder (groter) stuck neffens (naast) en om die kuyle (kuil)!!.....

***

Ook de namen ,,schley”, ,,schloo” en ,,schlund” houden met de waterafvoer verband. We vinden dit terug in de veldnaam ,,de Gootschley” te Doenrade. De variatie ,,schloo” treft men op twee plaatsen in het gehucht Gracht aan en het woord ,,schlund” komt weer in Doenrade voor. De ,,schloo” in de buurtschap Gracht is een paradijselijk stukje natuur.

Het is een zijweg van de Hagendorenweg, die als een holle weg tussen metershoge dichtbegroeide taluds loopt en naar de Duivelsberg leidt. De bomen op de taluds maken de weg in de zomer tot een lang gerekt prieel.

In Amstenrade en het daaraan grenzende deel van Oirsbeek (het gehucht Oppeven) lag de Beekstraat. Een naam, die niet alleen in de volksmond voortleeft, maar die men ook in oude archieven herhaaldelijk tegenkomt. Langs deze Beekstraat liep het water uit de Beeksmaar (in Treebeek)   en de afvoergeul ,,de Oe”’, welke het dorp Oirsbeek zijn naam gaf.

JOURNALIST

Oirsbeek