Kerkhof geen weiland voor de koeien of ander vee

De - zo geheten - DELIBERATIE-REGISTERS van een kerk bevatten geen schokkende onthullingen. Maar er staan verschillende aardige bijzonderheden in, die een goede kijk geven op het kerkelijk leven in vroeger tijden. Neemt als voorbeeld de registers van de parochie Oirsbeek en wel het deel, dat met het jaar 1835 begint. De naam zegt reeds wat een dergelijk register is . Het bevat de ,,deliberatiën of beraadslagingen van de kerkfabriek” of, zoals wij nu zouden zeggen, het verslag van de vergaderingen van het kerkbestuur.

Deze vergaderingen hadden meestal vier keer per jaar plaats en wel in de maanden januari, april, juli en oktober. Een vast agendapunt van elke vergadering was het tellen van de inhoud der offerbussen. Op de bijeenkomst in april werd steeds de ,,personele staat van de kerkfabriek’ van dat jaar opgemaakt. Op dezelfde vergadering werden ook de inkomsten en uitgaven der parochie over het afgelopen jaar gecontroleerd, terwijl op de oktober-vergadering de begroting voor het volgende parochiejaar  werd vastgesteld. Te beginnen met omstreeks 1875 bestond een groot gedeelte der verslagen uit de opsomming en beschrijving van de stichtingen en jaargetijden, die door de gelovigen aan de kerk werden aangeboden.

Dit waren de belangrijkste agendapunten. Daar komen dan nog allerlei andere zaken bij, zoals de vermelding van noodzakelijke herstelwerkzaamheden aan de kerk of bijgebouwen en de aankoop van benodigdheden voor de kerkelijke eredienst.

De opbrengst der offerblokken werd tot 13 januari 1839 in Belgische francs vermeld. De franc was destijds, tezamen tezamen met de Duitse Mark, het meest gangbare  dagelijkse betaalmiddel. De guldens werden zorgvuldig voor meer ,,plechtige” gelegenheden bewaard, zoals voor het betalen van belasting. In de offerbussen zat op die dertiende januari ruim 85 francs. In dat jaar werd ook voor het laatst een reparatie aan de kerk in Belgisch geld berekend, namelijk in totaal voor 39 francs en 40 centimes. De eerstvolgende opgave geschiedde echter in guldens. De offerblokken  brachten tussen april en juli 1839 het voor die tijd het behoorlijke bedrag van 29 gulden en 90 cent op. Men moet niet vergeten dat Oirsbeek nog een onbeduidend dorp was en die oude gulden een veelvoud waard was van de tegenwoordige gulden.

*

Er is niets nieuws onder de zon...!

Een punt, dat niet alleen in Oirsbeek maar ook in vele andere parochies de pastoors van ruim een eeuw geleden veel last bezorgde, was het onbetamelijke optreden van sommige gelovigen, vooral tijdens de zondagsmis.

In december 1841 werd hieraan zelfs een buitengewone vergadering van het kerkbestuur gewijd. En in de eerstvolgende vergadering op 10 april 1842 werd het in december genomen besluit, dat een ,,politiebeambte voor de kerk werd aangesteld” bekrachtigd. Dit was noodzakelijk, werd eraan toegevoegd, omdat op ,,zon- en feestdagen ongestichtigheden  (!) in de kerk werden begaan”. Dergelijke ,, onvoegzaamheden” moesten krachtig worden bestreden.

De veldwachter van Oirsbeek werd belast met het ,,policie houden” (toezicht houden) in de kerk. Punt twee luidde, dat ,,elk een die zich eene ongestichtigheid in de kerk veroorlooft, door den veldwachter vermaand zal worden. Degene die op de gedane vermaning in zijn onbetamelijke gedrag, het zij met praten, lagchen of anderszins voortgaat, zal door den policie genoodzaakt worden de kerk te verlaten.” En tenslotte was er nog een derde artikel, dat vaststelde: ,,Genoemde beambte (de veldwachter) is mede gemachtigd om het bestuur van den kerkfabriekraad (kerkbestuur) te doen handhaven, waarbij bepaald wordt dat het aan alle inwoners verboden is den godsdienst op het okzaal bij te wonen, tenzij men zich vooraf bij middel van abonnement verbonden hebbe om jaarlijks aan den ontvanger van het fabriek (de kerk) te betalen drie francen .” De zangers waren uiteraard van deze bepalingen uitgezonderd. Een lijst waarop de namen van de parochianen, die een ,,abonnement” hadden genomen vermeld stonden, zou op het okzaal worden aangeplakt. Hieraan werd toegevoegd dat een ,,afschrift  van dit besluit aan meergemelde beambte zou worden uitgereikt ter informatie en narigt”

Men is hier later nog meermalem op moeten terugkomen. Onder andere op 5 juli 1863, toen gesproken over ,, de herhaalde klagten over de slechte betalingen  (door de ,,geabonneerden”?) en andere ongeregeldheden op het okzaal.” Het bankengeld op zon- en feestdagen bedroeg voor de Vroegmis en de Vespers 1 cent, voor de Hoogmis, 2 cent. Een jaarabonnement kostte drie franccs. Nogmaals werd herhaald dat de leden en de zangers die ,,den notenzang kundig en bekwaam erkend zijn” hiervan waren uitgezonderd.

*

En dan was er nog het historische besluit van het kerkbestuur. Van 4 juli 1880, waarin nadrukkelijk verboden werd om in het vervolg koeien of ander vee op het kerkhof te laen grazen. Een bisschoppelijk voorschrift uit die tijd , dat opdracht gaf om de kerkhoven met een muur of andere soliede afsluiting te omgeven had wel degelijk reden van bestaan!

JOURNALIST

Oirsbeek