Familieruzie 1788

De familiebijeenkomst, welke op 4 December 1788 te Oirsbeek werd gehouden, begon in vrede en vriendschap, maar dat duurde niet lang! Over een onbetekenende kleinigheid – ge weet, hoe vrouwen zijn! – kreeg Maria Helena Corten, wettige echtgenote van Leonardus Beltjens, ruzie met haar nicht Machtildis Goyen die de weduwe was van een door haar diep betreurde meneer Peters.

De twist begon met het uitwisselen van vinnige  hatelijkheden; terwijl de opwinding toenam en de zelfbeheersing verdween gingen de vrouwen steeds harder schreeuwen. Maria Helena Corten was de eerste, die van het boze woord tot de meest actieve daad overging. Met een snoekduik sprong zij op haar tegenstandster toe, ramde haar met het hoofd in het middenrif en greep tegelijkertijd met de handen – handig en zeker,waarmede zij haar routine in het lijf aan lijf gevecht verried – het hoofdhaar van de treurende weduwe beet. Machtildis Goyen hapte tengevolge van de kopstoot naar adem. Ook het woeste rukken aan haar haarslierten was nogal pijnlijk en afmattend. Maar zij stamde uit een taai en strijdlustig geslacht en hield dapper stand. In de processtukken staat laconiek , dat beide vrouwen “zig geslaegen hebben”. Dat is een zeer nette benaming voor de verwoede vechtpartij, welke er plaats vond. Eveneens werd in de stukken vastgesteld dat vrouw Corten met ‘t handgemeen begonnen was. Zij was ‘’door alzulke haestigheyd den oorspronk geweest van de slagerije, dewelcke tot de aldergrootste schande tussen de naeste bloedverwanten voorgevallen is”….

De weduwe Goyen bezat een zoon Gerardus, die juist de baard uit de keel en op de kin had. Een potige jongeling – heetgebakerd van aard. Door het onverwachte van de verrassende snoekduik van Maria Helena Corten was hij even overdonderd , maar dat duurde niet lang. IJlings snelde hij zijn moeder te hulp, greep Maria Helena bij een pols, heeft haar een vinger ‘’omgedraeyt en gekwest (gekwetst)” en timmerde inmiddels met zijn vrije hand vakkundig met een stok op het hoofd van de vrouw, tot zij met een grote hoofdwond en een lichte hersenschudding bewusteloos ineen zakte.

Gezegd moet worden, dat Gerardus deze doeltreffende handtastelijkheid onder moeilijke omstandigheden verrichtte. Want terwijl hij nog druk doende was Maria Helena buiten gevecht te stellen, werd hij op zijn beurt aangevallen door haar man, de reeds eerder genoemde Leonardus Beltjens. Deze had inderhaast een tang gegrepen welke naast het open houtvuur lag en hanteerde het wapen met toewijding  en grote bekwaamheid. Allereerst sloeg hij twee gaten in het hoofd van Gerardus. Toen draaide hij zich om, alsof hij door een slang gebeten werd, want hij werd van achteren besprongen door een juffrouw Judith, dochter van de weduwe en dus een zuster van Gerardus, die als een wilde kat hem met haar nagels bewerkte. Eén forse tik met de tang en Judith tuimelde gillend van pijn achteruit. Twee van haar vingers waren door de klap gebroken!

Waar gevochten wordt, verschijnt altijd een vredestichter. Dat is meestal een verduiveld ondankbare rol. Joannes Beltjens, een broer van Leonardus, kon dit beamen. Hij wist zijn naaste bloedverwant de tang te ontfutselen , maar deze was door het dolle heen, rende naar de schuur en keerde even later ‘’gearmeert” (gewapend) met een mestvork terug. Om te voorkomen dat hij aan de vork werd geregen, moest de vredestichter ijlings de benen nemen.

Natuurlijk kwam deze rumoer verwekkende familieruzie voor de Oirsbeekse schepenbank. De drossaard, die dit veel besproken schandaal in zijn ambtsgebied hoog opnam had persoonlijk de aanklacht tegen Leonardus Beltjens , die als haar man en “manboir” (hoofd van het gezin) tevens terecht stond voor zijn vrouw en tegen Gerardus Peters ingediend. De straffen, welke opgelegd werden, staan helaas niet opgetekend. Wel de proceskosten, waarvan Leonardus 30 gulden en Gerardus 11 gulden en 9 stuivers moesten betalen.

Journalist